Harme Bevoort
Dichter van Enkhuizen
home  |  broeders in de kunst  
 
 
     

    Lambertus Hunnink

     DE BUIZENZEILDAG
        TE ENKHUIZEN

Wars van alle krijgstoneelen
Die 't geschokt Europa biedt,
Vragen blijder tafereelen,
Van mijn lier een vreugdelied.
'k Wil slechts naar die inspraak hooren,
Buisman heeft het vuur doen gloren
Dat mijn snaren thans bestierd:
'K zing 't geluk der Haringbuizen
Die er varen voor Enkhuizen
Daar die stad Haar Zeildag viert.

O! hoe veele bange jaren
Zijn daar vreugdloos heen gesleurd,
Wie dacht toen aan buizenvaren!
Door den felsten ramp verscheurd:
Ja .... wij dachten aan die dagen,
Maar te dieper griefden slagen
Aan het wreed gedrukte hart!
Elk herdenken aan die tijden
Gaf verzwaring aan het lijden,
En voltooide onze smart.

Maar gelijk na veele Jaren
Zwervend, worstlend doorgebracht,
Aan den Zeeman, moegevaren,
't Uur des werziens tegenlacht:
Zoo ook lacht ons, allerwegen
Thans de Buizenzeildag tegen,
Als herboren uit het niet;
En de vreugd is als voor dezen
In der burgren blik te lezen,
Alles stemt in 't vreugdelied.

Nog zweeft ons uit vroeger dagen,
Schooner dan het schoonste feest,
dat wij immers elders zagen:
Buizenzeildag voor den geest.
Nog den zwerm van vreemdelingen,
Die elkaar om strijd verdringen,
Schoon 't hun ijverzucht ontstak.
Nog zien we oud en jong zich scharen,
Om de buizen te zien varen,
Opgetooid in 't zondagpak.

Heilig moet dit feest ons wezen,
Dat, zoo algemeen gevierd,
Door geen nooddwang aangeprezen,
Toch door elk gehouden wierd.
Nog zien wij de vlaggen waain
Nog de zwaare spillen draaijen,
Nog des Stuurmans hoop en moed!
Nog hoort men 't geklap der touwen,
Nog 't geschrei der Markervrouwen,
Nog der mannen afscheidsgroet.

't Schip nu aan 't hoofd genaderd
Hijst de zeilen vlug en blij:
't Volk aldaar bijeen vergaderd,
Zeilt het statiglijk voorbij.
't blij hoezee der scheepelingen,
Gaat der vrouwen groet verdringen,
Die nog eens zich hooren doet !
d' Echo wenscht hen, allerwegen,
Goede reize! rijken zegen!
Blijde t' huiskomst, vol en zoet!

't Laatste schip is uitgevaren,
Maar het volk blijft nog aan zee;
't blijft op 't dierbaar smaldeel staren:
Dat voert ieders wenschen mee.
Nog wil elk zijn vriend eens wenken,
Hem zijn laatsten zegen schenken,
Eer het schip zijn oog ontvlugt!
Allerbeden vloeijen zamen,
Elk zegt met vertrouwen: Amen!
Amen! in een stille zucht!

't Iö moog zich dan verheffen,
En de vreugd elks harte treffen,
Op het allerschoonste feest:
D' eerstelingen, die verrijzen,
Moge elk van harte prijze,
Met een' opgeruimden geest.

Moog dien bron steeds meer ontspringen,
En de beste zegeningen,
Kroonen, dezen haringtijd!
Moge een vangst als nooit vrdezen,
d' Uitslag van hun pogen wezen,
't Blijde loon van hunnen vlijt.

Mogen zij ook veilig varen,
Op de ongetrouwe baren,
Door geen roofzucht aangerand:
Vreede blijve op zee regeeren,
Vreede zij hun wederkeeren,
Aan 't door krijg bedreigde Land.

Moog zoo welvaart wer verschijnen,
En 't geleden wee verdwijnen,
Van ENKHUIZENS Burgerij!
Moog zoo elk volijvrig pogen,
Medewerken naar vermogen,
Aan de Haringvisserij!

Enkhuizen
15 Junij 1815.              L. HUNNINK

 

  Te ENKHUIZEN bij CORNELIS LUB
                1 Stuiver.