Zenobie van Lennep
 
 
 
  home         correspondentie publicaties publicaties       mengelwerk  
 
 
 

 

    De dienstmaagd van den beeldhouwer

 
Een der beroemdste beeldhouwers te Rome had eene dienstmaagd, Maria genaamd. Men heeft wel eens waargenomen en opgemerkt dat sommige jonge vrouwen, hoewel in nederigen stand geboren, dikwijls een van de natuur ontleenden zwier bezitten, en men heeft dit toegeschreven aan een aangeboren fijn gevoel, dat meerdere kieschheid aan hare denkwijs en meerdere buigzaamheid aan hare manieren geeft, waardoor eene bevalligheid ontstaat die een uitvloeisel des harten schijnt te zijn.

Onwillekeurig moest men op zoodanige gedachten komen als men Maria zag. Men stelle zich in haar een boerenmeisje voor, bloeijende van gezondheid, schrander van uitzigt, doch meer zacht geestig en innemend, dan schoon van gelaat; haar helderen blik was even zedig als blijmoedig levendig van aard, vlug en gemakkelijk in alle hare bewegingen was zij altijd werkzaam en ijverig.

Met lust en spoed volbragt zij hare huisselijke bezigheden, om wanneer dat noodzakelijke werk verrigt was, zich aan verhevener arbeid te kunnen overgeven.

Lang kon zij zwijgend en nadenkend daar neder zitten; tot dat haar plotseling de geestdrift voor het schoon der kunst aangreep, en dan ontboezemde zij in de vurigste bewoordingen het gevoel dat haar overmeesterde. Des avonds, als haar meester zijne vrienden bij zich ontving, bediende zij hen; terloops ving zij dan hunne denkbeelden op en leerde alzoo de geheimen der kunst kennen en doorgronden.

Hoe gering ook hare afkomst en staat, gevoelde zij zich voor het edele en groote geboren. De zucht naar roem ontgloeide in haren boezem. Zij begon met de grootste bewondering te koesteren voor de werken van den voortreffelijken kunstenaar, in wiens dienst zij was; weldra echter ontwaarde zij in zich, eene begeerte om de goedkeuring en den lof te verwerven van hem, dien zij als uitmuntende boven velen vereerde en bewonderde. Hare pogingen wenschte zij evenwel voor hem geheim te houden. Zij nam daarom eene zeer vergeeflijke list te baad. In vertrouwen deelde zij haar voornemen mede aan een zeer bekwaam kunstenaar, die dagelijks het huis van haren meeester bezocht. Met hem overlegde zij alles en zij verzocht hem haar in stilte les te geven. De weinige uren die zij vrij had, of aan de zorg voor de huishouding onttrekken kon, besteedde zij aan hare geliefde beeldhouwkunst.

Doctor Corona, een ijverig voorstander der schoone kunsten, werd in haar belangrijk geheim ingewijd en verklaarde zich haar beschermer. Deze edelmoedige geleerde handelde als een waar menschenvriend en boodt zich bereidvaardig aan om de uitgaven te bekostigen die onvermijdelijk waren bij zulk een lang aanhoudend en uit den aard der zaak, zeer kostbaar onderwijs. Marie van hare zijde verwaarloosde geen enkel oogenblik, en betoonde door den meest volhardenden ijver hare dankbaarheid aan hare weldoeners. De zucht om zich hunnen bijstand waardig te toonen zettede haar aan tot eene ongehoorde voortvarendheid bij den moeitevollen arbeid. Alle hare vermogens en zielskracht en waren gerigt op het doel dat haar voor oogen zweefde.

Verbazend was het zulke verhevenen hoedanigheden des geestes en zulk eene opgewekte en werkzame verbeeldingskracht te ontdekken bij iemand die hoegenaamd geen voorbereidend geestbeschavend onderwijs genoten had. Zelfs erkende zij dat zij eerst de waarde des levens gevoeld had, van den dag af dat zij zich overgegeven had aan de studie en beoefening der beeldhouwkunst.

Geen ogenblik verzuimde zij. Het verlangen om wel te slagen dreef haar altijd voort, en gebeurde het somtijds dat hare opgewektheid en lust door overmatige inspanning uitgeput dreigde te flaauwen, dan begaf zij zich haastig naar het Vatikaan, en daar omringt van de kunstgewrochten, voelde zij den moed en de geestkracht in zich herleven. Zoo zwierf zij ook rond in de kerken van Rome, altijd bij de aanschouwing der meesterstukken van de groote kunstenaars, trachtende op te klimmen tot het ideaal dat zij zich hadden voorgesteld. Uren lang verwijlde zij bij den beelden der oudheid en wat anderen onverschillig of koel beschouwden, wekte bij haar de sterkste aandoeningen op.

Niet slechts als eene kunst, maar tevens als eene wetenschap beoefende Marie den beeldhouwkunst. De kunst schonk haar het hoogste zelfbewustzijn. Zij was niet meer dezelfde eenvoudige dienstmaagd, sedert dat zij het buitenleven en de landelijke bedrijven had vaarwel gezegd, om den klassieken bodem, waar kennis en genie welig ontluiken, te betreden. Er was geene waarheid die eenmaal in hare ziel doorgedrongen zijnde, zich niet vruchtbaar in haar binnenste ontwikkelde.

Een bekrompen gemoed, een dorre geest alleen, kan koud en onverschillig blijven bij het beschouwen der grootsche ruïnen van het oude Rome. Alles is plegtig en indrukwekkend te Rome. De herinneringen aan haar roemrijk verleden verheffen het gemoed. Die triumfbogen en gedenknaalden, die praalgraven der keizers, nevens de grafsteden der helden, het spreekt alles tot het hart van de kunstenaar en vormt hem voor den roem. Een vaste wil bij de aanwending van de aangeboren geestesgave, is eene der kostelijkste eigenschappen.

Het is de meest noodzakelijke voorwaarde om wel te slagen.

Marie ondervond het. Zij overwon alle moeijlijkheden die voor haar als vrouw bij het beoefenen der beeldhouwkunst dubbel zwaar moesten zijn. Haar hand, schijnbaar zoo zwak en teder, hanteerde met bewonderenswaardige vaardigheid en kracht den beitel en de schaar; maar zij werd ook bij haar pogen gesterkt en geschraagd door een der krachtigste zedelijke drijfveren, de geestdrift voor het hoogere schoon der kunst.

De nijd heeft dit edelaardige meisje gelasterd. Hare zuiverste gewaarwordingen werden verkeerd uitgelegd. Men heeft durven beweren dat het gevoel der liefde haar de kunst had doen aangrijpen, als het middel om door het verwerven van roem, de aandacht van haren meester tot zich te trekken en zijne genegenheid te winnen.

Zoo trachtte men, aan alle hare ongelooflijke pogingen om de hoogte der kunst te bereiken, de lofwaardigste verdienste te benemen.

Op welke grond toch leidde men haar ijdele berekeningen en vrouwelijke bijredenen ten laste? Waarom mocht zij niet met een vrij gemoed tot het heiligdom harer kunst doordringen? De ongegronde aantijging was blijkbaar valsch. Geene zelfzoekende begeerte was van deze in haren even reinen als zedigen boezem. De beoefening der schoone kunsten verheft te zeer het hart en stemt het zelfs te zeer tot vroome aandoeningen, dan dat het daaraan aardsche bedoelingen zou kunnen verbinden.

Marie was geen ijdel, behaagziek wezen. Zij was zachtzinnig, maar te vurig van geest om zich te laten beheerschen door de zwaarmoedige, kwijnende gewaarwordingen eener dwaaslijke en onbeantwoorde liefde. Haar karakter had zich ontwikkeld onder den invloed van het genie; in haar eigen gemoed leefde de kracht waardoor haar naam eenmaal in de toekomst onsterfelijk zou worden. Waar zij ook ging, waar zij stond, en wat zij ook deed, de kunst vervulde altijd hare gedachten.

Gretig beluisterde zij steeds alle gesprekken die over dat verheven onderwerp liepen en waaruit zij iets kon leeren. Naar mate hare kennis toenam vermeerderde haar weetgierigheid. Niets wakkerde haren ijver meer aan; en bemoedigde haar meer bij het voorwaarts streven op de baan dan te hooren verhalen van den invloed der strenge onvermoede studie bij het beoefenen der schoone kunsten, of de verschillende eigenschappen waardoor de groote italiaansche meesters zich onderscheidden, te hooren uiteenzetten, verklaren en vergelijken.

Met zeldzame volharding wijdde Maria den tijd dien zij kon uitwoekeren, aan de zamenstelling van een heerlijk kunstgewrocht. Haar voorbeeldeloos geduld werd beloond met den roemrijksten uitslag. Na verloop van twee jaren doorgebracht in hardnekkige en steeds verholen werkzaamheden, voltooide Maria een beeld van Minerva dat door den adem der godheid bezield scheen. In dit eerste voortbrengsel der jeugdige kunstenares had zij iets van het beste deel van zichzelve overgegoten; er lag de verhevenste uitdrukking in van het ideale schoon en tevens de rust, de majesteit vol ziel en leven welke in de beelden der ouden doorstralen.

Het verscheen op de tentoonstelling. Enige dagen later vergaderden de kunstregters om uitspraak te doen over de aan hun oordeel onderworpen kunstgewrochten, en de eerekroon aan het meestbelovende talent toe te wijzen.

Het gebeurde bij deze gelegenheid dat de meester van Marie gekozen werd tot voorzitter der vergadering. Alle stemmen vereenigden zich tot lof van het beeld van Minerva dat door eene onbekende hand aan de regters en beooordeelaars was toegezonden. Men verklaarde dat proefstuk, het schoonste werk te zijn; en niemand was er die maar enigszins vermoeden kon dat het uit de handen eener vrouw was voortgekomen.

Intusschen was Maria in het nederige gewaad, aan haren stand eigen, doorgedrongen tot in de zaal waar haar kunststuk voor het oog der nieuwsgierige menigte prijkte. Verbaasd, verrukt, bedwelmd door haar eigen roem, bijna uitzinnig van vreugde bij zoveel geluk, vernam zij de loftuigingen die men aan haren arbeid toezwaaide. Geen enkele scherp afkeurende aanmerking verbitterde haar dien zegepraal. Alle aanschouwers waren opgetogen; men is altijd toegenegend voor het talent van den zedigen die zich schuilhoudt en den roem geniet zonder er mede te pralen.

Naar huis teruggekeerd genoot Maria aldaar de streelendste voldoening. Zij hoorde hoe haar meester in de kring zijner vrienden gezeten met den grootsten lof sprak van het bekroonde beeld; Hij verloor zich in gissingen over de maker van het kunstgewrocht. Aarzelend schreef hij het werk toe aan een jong kunstenaar die aan veel bekwaamheid eene hoogmate van schroomvalligheid paarde, en die naar hij veronderstelde, welligt gevreesd zoude hebben zich bekend te maken.

Maria kon deze voor haar zoo belangrijke redenen niet aanhooren, zonder door de diepste ontroering getroffen te zijn. Tranen welden in haar ogen op, en de aandoening die zij niet langer bedwingen kon verried haar; het geheim was ontdekt! Haar meester die er in het minste niet om dacht dat zij ooit eenige aandacht aan de schoone kunsten had gewijd, bleef roerloos van verbazing en opgetogenheid voor haar staan. Op waardigen en hartelijken toon wenschte hij haar geluk met den prijs die zij behaald had en den daaraan verbonden roem.

Terstond verklaarde hij niet te zullen dulden dat zij hem bleef dienen. Van dien oogenblik af wilde hij alle middelen in het werk stellen om hare opleiding in de kunst te voltooijen, en hij wees haar zijne eigene werkplaats ook als de hare aan. Onder zijn oog zou zij voortaan werken, hijzelve zou haar onderwijzen en raden, en zich met haar verblijden in elke nieuw overwonnen zwarigheid. Verlegen en ontroerd, vond Marie geene woorden om hem te danken. Wat er omging in haar hart was onuitsprekelijk. Haar innigste begeerte was eindelijk vervuld.

Maar helaas! Zij mogt zich in zooveel voorspoed niet lang verheugen. Even als een glanzend luchtverschijnsel schitterde zij een oogenblik aan den hemel der kunst, maar doofde en verdween spoedig uit het gezigt harer bewonderaars en vrienden. Uitgeput door de arbeid, afgemat door langgerekte nachtwaken, bezweken hare ligchaamskrachten en zij teerde langzaam geheel uit; Zij waggelde met slepende tred als eene schaduw naar het graf.

Doctor Corona, die zulk een levendig deel genomen had aan hare welgeslaagde pogingen stond haar bij als geneesheer en sloeg haren jammerlijken toestand met de trouwste zorg en hartelijke belangstelling gade; hij lenigde zooveel moogelijk haar lijden; maar hij kon de dood niet weren. Het treurige rouwfloers bedekte eerlang de lauwerkransen door Maria verwonnen, en allen die haar gekend en naar naar waarde hadden hooggeschat betreurden met bittere tranen haar verlies.

Dit einde is droevig en stelt de opgewekte verbeelding welligt eenigzind te leur. Mogelijk zou een teer en gevoelig en zachtmoedig peinzende lezer hierbij wenschen dat wij de hooge kunsten die Maria bezielde, beschreven hadden als voortvloeide uit eene hartstogtelijke genegenheid voor haren meester, en diensvolgens ook verlangen dat de beeldhouwer weggesleept en verrukt door hare kunstgaven hare lang verborgen liefde beloond had, door haar zijne hand aan te bieden.

Maar dat zou volstrekt niet gestrookt hebben met dat gedeelte van onze schets waarin wij aantoonden dat de vooronderstelde neiging van Maria voor hare meester slechts eene looze en boosaardige vond van hare benijders was. Het is zelfs niet onwaarschijnlijk dat het hartzeer over dien laster het eerst hare anders vaste gezondheid heeft gekrenkt.

De eenvoudige geschiedenis luidt zooals wij die hierboven mededeelden. Ware dit verhaal eene verdichting, wij zouden er eene meer romanesken en in dien zin meer bevredigende uitkomst aan hebben kunnen geven.

In het werkelijke leven is het echter geen gekscheren; de zaken lopen niet altijd zoo fraai af als in een roman, en het kan waarlijk geen kwaad dat men er zich een weinig op toelegt de schaduwzijde van het lot te beschouwen.

 

    1850                       Z.