Zenobie van Lennep
 
 
 
  home         correspondentie publicaties publicaties       mengelwerk  
 
 
 

 
Uit de Militaire Spectator van mei 1847:

Proeve over de volgorde der standen van de maatschappij.

De verwachting welke wij bij de opening van de bovenstaande rubriek gekoesterd hebben, is niet te leur gesteld. De proeve welke wij hierbij onze lezeren aanbieden, is geheel con amore voor ons tijdschrift bewerkt , door eene jeugdige schrijfster, die in het afgeloopen jaar voor het eerst gedebuteerd heeft in het Leeskabinet, en onder Letter Z. reeds gunstig bij het publiek bekend is. Welligt zal men zich herinneren, dat een onzer hooggeleerde letterkundigen, dit begaafd meisje in de rei der Nederlandsche schrijfsters heeft geïntroduceerd en openlijk heeft aanbevolen, en het streelde ons, dat dezelfde geleerde, op wiens achting wij hoogen prijs stellen, ook ons in de gelegenheid heeft gesteld, aan ons publiek eene proeve te kunnen aanbieden van een ontluikend talent, dat belooft den weg te volgen van mejufvr. Toussaint en de schrijfster van Te laat. Het zal onze lezeren voorzeker streelen, te zien, hoe eene jeugdige schoone over onzen stand denkt en vleijend zal het ons wezen, meer bijdragen van dien stempel van haar te ontvangen.
De Redactie.

De maatschappij staat voor ons opgerigt als een gebouw , het gesticht der eeuwen, daar steeds aan voortgearbeid wordt, dat al hooger en hooger rijst en nog onvoltooid blijft; want somtijds wordt het tot in zijne grondslagen geschokt, en leemten en scheuren vallen overal in, waar het blijkt zwak of beschadigd te zijn ; maar die plaatsen weder gemaakt zijnde, wordt hel geheel vaster , steviger en hechter , dan het ooit te voren was. Op de ladders langs de opgetimmerde steigers, zijn op onderscheidene treden talrijke werklieden bezig. Ieder staat op zijnen aangewezen post, - de een hoog, de andere ver beneden hem. Het is even weinig wijs en voorzigtig " zich door lust naar hoogmoed te laten ontzindelen ," zoo als HOOFT zou zeggen, en hijgende van ijdele begeerte naar verheffing tot hooger standpunt, dan men kan bekleeden , op te willen stijgen , als het onwaardig is eene trede te dalen en zich te vernederen; op den trap waarop men geplaatst is moet men stand houden, dáár alleen kan men zich in volle kracht ontwikkelen. De minste arbeider, de lastdrager, die de , ruwste bouwstoffen bijbrengt en aan den voet van den ladder blijft staan , is evenzeer dienstig en onmisbaar bij het werk, als de bouwmeester die het plan heeft ontworpen - en aan het hoofd van alles den arbeid bestuurt.

Bij de tegenwoordige wetgeving, in de meeste staten van Europa , bestaat er voor iedereen de volkomenste vrijheid, om zich overeenkomstig zijne vermogens te ontwikkelen en elk burger heeft gelijke regten om die ontwikkelde vermogens in den staat te doen gelden ; met andere woorden , er bestaat eene gelijkheid voor de wet. Dienvolgens staan alle ambten en bedieningen, ook de hoogste die er zijn , voor iedereen open. Mannen uit den burgerstand kunnen door bekwaamheid en uitstekende verdiensten , gepaard aan volharding, zich tot den hoogsten rang verheffen. Ieder kenne zijne roeping en volge die. Geen levensstand , hoe nederig, hoe vergeten ook is er, die iemand belet tot de hoogste eereposten te geraken; doch dat neemt niet weg, dat, niettegenstaande de vermenging der onderscheidene klassen dagelijks toeneemt en meer en meer algemeen wordt, de verschillende graden der maatschappij bestaan en in acht moeten worden genomen. Ieder eerlijk beroep , ieder gevestigde stand is achtingwaardig en heeft aanspraak op gelijke burgerlijke voorregten ; maar niet ieder beroep , niet ieder stand wordt evenzeer geëerd en onderscheiden.

Omtrent het rangschikken der standen is de openbare meening wel gevestigd , en de meerderheid weet waaraan zich te houden ; enkelen echter zijn er (wij hebben ze meermalen ontmoet), welke dienaangaande geen zeer duidelijke begrippen hebben , of die zich slechts gebrekkig rekenschap hebben gegeven van hetgeen zij daarover dachten. Opvoeding, familie-betrekkingen , ingezogen vooroordeelen, verkeerde inzigten aan anderen ontleend, kleine berekeningen rigten zeer dikwijls het oordeel van velen op dit punt ; en het gebeurde meer dan eens , dat wij er getuige van waren , hoe hieruit misverstand en oneenigheid, zelfs bij de eenvoudige dagelijksche gesprekken ontstond ; dit deed ons beproeven de opvolging der standen uiteen te zetten.

De eerste en meest eigenaardige wensch van elk lid der maatschappij is , een waarborg te hebben voor de veiligheid van zijn leven en van zijne bezittingen. Dit geeft hem het zwaard in de vuist; of zoo zijn ambt of beroep, in één woord, zijn maatschappelijke toestand hem niet veroorlooft het wapen te voeren, doet het hem omzien naar eene beschermende of verdedigende magt, die altijd gereed staat elken gevreesden aanval af te weren.

Dit grondbeginsel heeft het aanzien gevestigd van den krijgsmansstand en dezen tot den eersten stand verheven. Voeg hierbij, dat de wapenhandel eene hoofdbezigheid , en het voornaamste gedeelte der opvoeding was van den adel, die in de middeleeuwen , na den val van het Romeinsche rijk, bij het ontstaan eener nieuwe orde van zaken en bij het zamenstellen van de regering der staten van Europa, beschouwd werd als de hechtste steun van den troon, wijl zij de vorsten het naast omringden; hoewel het in 't vervolg van tijd , bij de toenemende heerschappij en het gezag der Edelen , meermalen gebeurde, dat de vorsten, zich ten schutsweer tegen de overmoedige aanmatigingen des adels, het volk in de armen moesten werpen. Over deze laatste opmerking kunnen wij al aanstonds heenstappen ; indien wij haar niet ter zijde lieten liggen , zou zij ons te zeer afleiden van ons bepaald onderwerp.

In de eeuwen dan , toen het geweld zich regt verschafte en de uitspraken der geregtigheid afhingen van de kans der wapenen , behoorde het tot een der voorregten, toegekend aan den vrijen man , dat hij een wapen bij zich mogt dragen ; en , gelijk ik begon te zeggen, wapenoefeningen waren het voorname, bedrijf van edelknapen en ridders. De oude instellingen dier dagen zijn vervallen, maar de geest die er in leefde is nog niet geheel verstorven , de herinnering er aan heeft zich voortgeplant, is overgebleven , en komt nog uit in den eerbied voor den militairen stand. Moed en dapperheid zijn eigenschappen die men niet zonder ontzag kan bewonderen en hoogschatten. De zwakken hebben behoefte om op te zien en te vereeren, en voelen zich zeker en veilig onder het toeverzigt van den kloekmoedigen en weêrbaren man ; in zijne sterkte vinden zij een' steun. Van dáár de onderscheiding die den krijgsman te beurt valt en die hem nimmer kan betwist worden.

" Te Rome (merkt La Bruyère aan) was de soldaat geleerd, en de advocaat dapper; iedereen bezat er de laatstgenoemde hoedanigheid; de Romein was te gelijk krijgsman en advocaat." Zoo was het tot den tijd dat Keizer GALLIENUS de toga van den degen scheidde. Van toen af was het te Rome, gelijk in het vaderland van La Bruyère en in het onze; de soldaat was dapper en de advocaat geleerd, of liever, de man van studie zag zich niet geroepen om personelen moed ten toon te spreiden. De regterlijke magt werd een afzonderlijke stand. De degen behield echter altijd den voorrang, als zijnde het kenteeken der dadelijk uitvoerende magt. Sedert het buskruid is uitgevonden weet iedereen dat er een nieuw stelsel van oorlogen is ingevoerd, waarbij de ruwe moed, verbonden aan geweldige ligchaamskracht, vervangen wordt door kunstgeleerde dapperheid en beleid. Het verstand is de ziel der krijgskunst geworden. Om groote daden te verrigten , behoeft de krijgsbevelhebber, die de uitkomst van den slag berekent en de overwinning voorspelt, geen man van zes voet en forschen ligchaamsbouw te wezen. De oordeelkundige bekwaamheden van den generaal, het verstand, de berekening, zijn juiste blik, zijn overzigt en kennis der zaken van het bestuur, zijne welsprekendheid, niet die van den regtsgeleerde, maar die welke aan bet opperhoofd van een leger voegt en de krijgsmenigte aanvuurt, de kennis der menschen, waardoor zijn omgang met de soldaten gekenmerkt wordt en die hem leert allen naar waarde te onderscheiden en hunne diensten te beloonen door eer en bevordering , dit alles geeft hem gezag en maakt zijne kracht uit. Niet de sterkte van de vuist, maar de magt van het verstand geeft hem regt op zijn verheven standpunt. Omdat de soldaat hem het meeste verstand en het meeste doorzigt toekent, gehoorzaamt en eerbiedigt hij hem als zijn opperhoofd. - Dat zijn burgerlijke verdiensten , die aan den krijgsroem meer waarde verleenen en het aanzien van den militairen stand vermeerderen en wettigen.

De Koning zelf staat aan het hoofd van het leger; bij reikt elk soldaat als wapenbroeder de hand , en draagt bij voorkeur de aan dien stand voorgeschreven kleeding. Het gewaad doet wel niets af tot de waardigheid van den stand; maar zoodra er bepalingen zijn gemaakt, dat men aan uiterlijke teekenen en onderscheidingen den rang van iemand zal herkennen , spreekt het vanzelf, dat de hoogste persoon van den Staat verschijnen zal in het kleed dat gedragen wordt door de eerste en meest aanzienlijke orde van den Staat dien hij regeert. Het houdt op beuzelachtig te zijn , in dezen op het bloot in acht nemen van den uiterlijken vorm acht te slaan, wanneer die vorm aanleiding geeft tot eene ernstige gevolgtrekking. Dit moge schijnbaar een zeer klein bewijs wezen van de onderscheiding welke aan den militairen stand toekomt; het is niet te min een zeer geldig bewijs. Wij zijn geenszins het gevoelen toegedaan, dat het kleed den man maakt; dit moet uit het voorgaande reeds genoeg gebleken zijn ; men zal ons dus niet verdenken van ijdele vooringenomenheid met den schitterenden dosch, welke door den krijgsman gedragen wordt, en van dien kant gerust, kunnen wij hier, een ons juist invallend woord te pas brengen , en eene zinspeling op de uniform, benevens hetgeen er verder bij voorviel en gezegd werd, mededeelen:

Zeker jong geestelijk heer, nog ongehuwd , moest om zijn eenzaam leven op zijne dorps-pastorij, doorgaans eenige plagerij verduren. Dan schertste hij vrolijk mede en het was vermakelijk om aan te hooren. Eens op een avond liet hij zich, meer puntig dan bescheiden, ontvallen, dat: " de dames, over het algemeen den " gedistingueerden rok de voorkeur geven; " - hiermede bedoelende, dat bij eene huwelijksaanvraag, de kans om wel te slagen voor een officier en voor een predikant gelijk stond. Het was louter kortswijl , en onnadenkend wierp hij het daar heen. Doch het werd gezegd in het bijzijn van eene achterkleindochter van den generaal VON DOPPF - dezelfde die in 1782, op eigen kosten , een oranje-korps oprigtte , in de dagen dat de oorlog met Oostenrijk ons land bedreigde, en Keizer JOSEPH II zijne Croaten, Hussaren en Ulanen naar deze gewesten afzond. De jonge dame viel den goedgeluimden leeraar in de rede, met al de scherpzinnige gevatheid, waardoor zich de leden van dat oud aanzienlijk geslacht onderscheidden, en op beleefden, doch hooghartigen toon sprak zij : " Gij vergist u , Dominé! leer voortaan het onderscheid beter maken tusschen den gedistingueerden en den distinctieven rok." Deze bijtende en hoogmoedige teregtwijzing deed voor het oogenblik de scherts ophouden, maar werd noch weersproken, noch berispt. Het gezegde der Freule en de gereede ingang die het vond, toonen genoeg aan, dat de denkwijze die wij voorgedragen hebben, betreffende het aanzien van den militairen stand, volkomen overeenkomt met de openbare meening.

Er bestaat eene zekere armzalige smalerij op den krijgsmansstand , die zich oplost in de uitdrukking van : " een vergulden bedelaar; " - woorden waarmede men den officier bedoelt. Zulk een oordeel is het gevolg van de onbeschoftste onwetendheid. Schudt hem wakker die zoo denkt! want , waarlijk, zijne denkbeelden zijn niet zeer helder. Verklaart hem toch, dat eer en geld twee zeer verschillende zaken zijn, die niet altijd zamengaan. De man die het eerste bezit en ongeschonden behoudt, kan het laatste moeten ontberen ; en zijne aanspraak op de algemeene achting zijner medeburgeren blijft daarom toch dezelfde. De man die veel geld bezit of veel geld wint, en een' onverzadelijken dorst naar goud in zich ontwaart en zoekt te bevredigen, staat aan den rand eener diepte; en de helling, langs welke hij dreigt af te glijden, is zacht en glooijend ; niet altijd blijft hij een eerlijk man , en al wordt hij niet openlijk geschandvlekt, de rijke man kan zeer arm wezen aan eer en eergevoel, en hetgeen hem ontbreekt is voor geen prijs te koop; terwijl daarentegen het gemis van de stoffelijke goederen der fortuin iemands rang niet kunnen verlagen of schenden. De naauwkeurigste en tevens onbekrompenste berekening van het welvoegelijke , is het gevolg van militaire netheid en militair overleg. Ook dit verdient allen lof en is eene drangreden te meer om dien stand te achten.

Nog een ander verwijt klinkt ons in de ooren. De misnoegde burger, de opbrengsten die hem opgelegd zijn opsommende, noemt den militair in vredestijd: " een Iediglooper dien hij moet helpen onderhouden , en die betaald wordt om zich te laten doodschieten. Dit is wederom een even bitse als laffe schimp. Kan goud een enkelen druppel bloeds betalen? en de aanmerking op de ledigheid van den soldaat beantwoorden wij hiermede, dat de tijd van den soldaat aangevuld wordt door de strenge en stipte verordeningen der krijgstucht, die hem geen enkel uur vrij laat. De krijgsbedrevenheid die op een beslissend oogenblik van hem gevorderd wordt, moet aangeleerd worden en vereischt eene aanhoudende oefening. Zal hij geschikt voor de dienst zijn en blijven , dan moet hij die kennen en onderhouden. Hij moet bereid zijn tegen den dag dat hij opgeroepen kan worden om in den slag te gaan. Altijd onder de wapenen, moet de krijgsman , bij den aanval van buiten , bij onrust van binnen , bij het minste alarm, aanstonds gereed zijn om te strijden, en om de verstoorders der publieke veiligheid te beteugelen. Zoodra de vijand naakt, moet hij huis en have verlaten. Zijne dierbaren Iaat bij achter , en het scheiden valt hem bang; want men weet dat de koenste en krachtigste gemoederen het meest gehecht zijn aan de teederste banden van liefde en vriendschap. Alles wat het leven waarde verleent, geeft hij op, om zich aan gevaren en ontberingen , zonder aarzeling , bloot te stellen. Op de maanden en jaren van ongestoorde kalmte, die men met onbillijke berisping en kwalijk verscholen spijt en ergernis , werkeloosheid noemt, volgt voor hem al het rumoer van den krijg; in korte dagen beleeft hij een belangrijk tijdperk en elk zijner uren is gekenmerkt door een roemrijk feit. Zijne daden verbreiden zijn' naam eu maken dien onsterfelijk. Dit is de schoone en glansrijke zijde van zijnen stand.

Maar stel hier tegen over, hoe de ellende van den oorlog hem bestormt en met zich sleurt. Nederlaag, gevangenneming , verwonding , honger, gebrek, wreedaardige mishandeling van den vijand, dit alles kan hem overkomen , en hij kan reddeloos en tot weerstand buiten staat zijn. Doch laat hij zelfs gelukkig wezen en voor zulke uiterste ongevallen bewaard blijven, dan nog, bij het nachtelijk wachtvuur gelegerd, onbeschut voor gure windvlagen , regen en koude, staat hij alle ongemakken door, en ziet dikwijls in éénen nacht zijn hair vergrijzen; terwijl de vreedzame burger, aan den stillen huisselijken haard gezeten , in het warme vertrek de verkwikkende genoegens smaakt van een welgeordend rustig leven, in een gezellig uur de dagbladen opneemt, en toeziet hoe zijne vrouw en dochters het oude linnen uit de kasten bijeenzoeken , om netjes het pluksel te maken voor de gekwetsten.

Laat ons bovendien nog mogen doen opmerken , dat de ledigheid van den officier in vredestijd - een punt waarop men hem nog veel zwaarder valt dan den soldaat-ook evenmin werkelijk bestaat, of ten minste, indien zij mogt bestaan, zeer willekeurig is. Niets verhindert hem zich te bekwamen in de vakken van kennis en wetenschap , die in verband staan met de kundigheden welke in zijnen stand een noodzakelijk vereischte voor hem zijn , en hem in staat stellen de verschillende rangen waardig te bekleeden. De geschiedenis biedt hem hare schatten , de staatskunde dringt zich aan hem op, de fraaije letteren weigeren hem geene vermakelijke verpoozing, het penseel van den kunstenaar wordt niet beschadigd door de aanraking van den degen; het ontbreekt hem aan geene hulpmiddelen om den ledigen tijd te verdrijven en nuttig te besteden. De officier is niet geleerd , maar hij mag veel weten en moet van niets vreemd zijn. De beschaving van den man , wien van jongsaf het gevoel van eer, de zucht naar onderscheiding, de fierheid op zijnen stand, de achting voor zich-zelven en voor anderen is ingeboezemd , bepaalt zich niet bij de oppervlakkige beschouwing der dingen, en bestaat niet alleen in het kennen en inachtnemen van den beweeglijken vorm der gewoonten en gebruiken van den gezelligen omgang; zij dringt door tot naauwkeurig inachtnemen des levens en der menschen ; hieraan paart hij grondige kennis en nadenken, en is daardoor, meer dan elk ander, in staat alle betrekkingen en alle menschelijke toestanden juist te beoordeelen. Het gemoed der menschen drukt den stempel op hunnen werkkring. Het kan niet missen dat de officier, die zijn standpunt naar waarde schat, en bij ijver voor zijne dienst, behoefte aan werkzaamheid voegt, een bekwaam en verdienstelijk man moet worden , zoo bij het niet reeds is.

Hiertegen zal men aanvoeren, dat deze schildering te eenzijdig is , en men zal ons beschuldigen dat wij de ongeregeldheden die de militairen kunnen plegen , al te verschonend over 't hoofd zien; men zal beweren dat zij den voorrang die hen overal wordt gegeven, te luid doen gelden ; men zal er iets van mompelen dat zij eene op zich-zelve staande orde in den staat uitmaken, dat zij zich op sommige regten, al te uitsluitend , veel laten voorstaan , en dat zij voor geene andere vierschaar verantwoordelijk,, zijn dan voor den krijgsraad; men zal ons willen aantoonen, dat zij zich dikwijls verslaven aan het spel, waarin zij eene toevlugt zoeken tegen de verveling; men zal er bijvoegen , dat zij, ten opzigte van het betalen hunner schulden, grondig de voorschriften van den don Juan van MOLIÈRE bestudeerd hebben, en dat zij even knap en behendig als die befaamde losbol, zich hunne schuldenaren van den hals weten te schuiven. Deze en dergelijke grieven uit den weg te ruimen , zou eene ondankbare taak zijn. Wij zullen het niet ondernemen de eigendunkelijke en willekeurige dooven te beschreeuwen ; maar elk dezer bedenkingen tegen den militair en zijnen stand , legt ons als van zelve de gevolgtrekking in de pen , dat ieder burgerlijk vooroordeel tegen den krijgsmansstand , voortvloeit uit de meerderheid van dien stand boven alle andere.

Thans zullen wij overgaan tot den regtsgeleerden stand. Een vlugtige terugblik op de geschiedenis zal hierbij dienen om onze begrippen omtrent dien stand te staven. Het aanzien , verbonden aan den raadsheerlijken tabbaard, bestond van ouds bij de Grieken en Romeinen , en werd nimmer, ook in latere tijden , in twijfel getrokken noch bestreden. Na den val van het Romeinsche rijk en na de overheersching der Noordsche volkeren , toen uit de algemeene wanorde en verstoring eene nieuwe landsverdeeling en eene nieuwe regeling van den staat ontstond , bij de vestiging van het feudale stelsel en zoolang dit bleef bestaan, werd de regtsmagt uitgeoefend door de leenheeren. De weinige kennis, welke in die eeuwen van onkunde en duisternis een schemerachtig en onzeker licht spreidde op het nog ongebaande spoor der volken , berustte bij de geestelijken. Zij waren in het bezit der verminkte overblijfselen van de oude regtsgeleerdheid , die bewaard waren gebleven in de overlevering, of in enkele geschriften die geene prooi der barbaren waren geworden. Zij voerden het Kerkelijk regt in , en wisten zich de bijgeloovige onwetendheid van een verblind gemeen te onderwerpen. Toen men omstreeks het midden der twaalfde eeuw te Amalfi in Italië, bij toeval een oud afschrift vond der wetten van JUSTINIANUS , vatteden mannen van kennis met ijver de wederherboren studie van het oude Regt op, en weinige jaren na de ontdekking der oude Pandekten, werden in de meeste Staten van Europa doctoren in de regten aangesteld , die verpligt waren openlijk voor hunne leerlingen het burgerlijke regt te onderwijzen.

Met het invoeren van nieuwe wetten en eener nieuwe regtspleging, grepen er vele maalschappelijke veranderingen plaats; een der voornaamste was het ontstaan van onderscheidene ambten en bedieningen. De verschillende leden der maatschappij zagen zich verpligt vele bekwaamheden van onderscheiden aard te ontwikkelen , om in staat te zijn de verschillende betrekkingen te kunnen vervullen, die met de behoeften der tijden zich vermenigvuldigden. Van dien oogenblik af dat de regtsgeleerdheid een tak van kennis , eene wetenschap werd, welke men slechts kon verkrijgen door grondig geregelde studiën , en door zich geheel aan de beoefening van bet regt toe te wijden, werd het beroep van regtsgeleerde een afzonderlijke stand ; en zij die in dit vak uitmunteden, geraakten tot eer en tot onderscheidingen die men tot nog toe alleen aan de militairen had verleend. Sedert vele eeuwen was het een der grootste onderscheidingen geweest, in de Ridderschap te worden opgenomen; nu bleef dit voorregt niet langer uitsluitend aan rang en geboorte verbonden; mannen van geleerdheid en ervaren in de kennis der wetten, klommen tot die hooge waardigheid op, en stonden dus gelijk met hen wier bekwaamheden in den krijg en wier roem gevestigd was. De doctor in de regten die tien jaren lang den leerstoel van het burgerlijk regt had bekleed, verkreeg het regt van den degen en voerde denzelfden titel als de ridders.

De Edelen deden afstand van de plaatsen die zij in de geregtshoven bekleedden, en geen' tijd hebbende, of liever geen lust gevoelende om naar kennis te trachten en die te beoefenen, lieten zij het op de regtsgeleerden van beroep aankomen , en raadpleegden die. De klasse dier mannen van kunde en ervaring , tot welke elk burger genoodzaakt was zich te wenden, om raad en advies bij de belangrijkste voorvallen en omtrent de gewigtigste punten , en wier uitspraken over het fortuin, de eer en het leven der burgers beslisten, moest te gelijk ontzag inboezemen, achting en eerbied verwerven en met magt bekleed worden. De middel eeuwsche instellingen gingen te niet, het invoeren eener nieuwe regeling van het regt, en de veranderingen in de regeringsvormen der Europesche staten openden nieuwe wegen voor de eerzucht der verschillende leden van de maatschappij en voerde hen tot rijkdom en eer. De geleerde stand breidde zich uit en vertakte zich. Bij de meesters in de regten sloten zich de doctoren in de wis-, natuur- en geneeskunde, in de letteren en geschiedenis , in wijsbegeerte en godgeleerdheid aan. De geestelijke stand, die lang uitsluitend in het bezit van kennis en geleerdheid geweest was, en lang de geleerde stand bij uitnemendheid mogt heeten, daalde langzamerhand in aanzien, en maakte in de groote keten der maatschappij een afzonderlijke schakel uit, die den overgang vormde tot den middelstand: - de middelstand , de kern der natie, door de Godsdienst ontstaan en bevorderd, en uitgebreid door den handel.

Wanneer wij zoo onverbloemd het verval aanduiden van den geestelijken stand, dan beroepen wij ons hierbij op het gezag van den Zweedschen bisschop en professor TEGNÉR, die ergens zeer juist en scherpzinnig aanmerkt: " dat de geestelijke voorheen onder zijne tijdgenooten niet slechts de geleerdste was, maar dat hij ook boven andere de meest ontwikkelde en beschaafde man was; waaruit voortsproot, dat de geestelijke stand langen tijd een hoog aanzien behield en een wezenlijk bestanddeel uitmaakte van het groote ligchaam des staats." - Doch dadelijk voegt TEGNÉR er het volgende bij: " Beweert men nu (zegt hij) dat dit aanzien gezonken is, zoo ontstaat dit niet uit de eindeloos beklaagde ligtzinnigheid van onzen tijd, evenmin uit de ongodsdienstige rigting der denkbeelden in het algemeen, - de oorzaak ligt voornamelijk daarin , dat deze stand, in meer dan een opzigt, zijn letterkundig (geleerd) overwigt verloren heeft, en gedoogde dat de overige wetenschappen hem over het hoofd zijn gewassen." Van ouds was aan den geestelijken stand het hoogste aanzien, en de hoogste waardigheid verbonden. Het was steeds de stand, die het best onderwezen werd en het kundigste was. - Laat ons tot den oorsprong van den geestelijken stand opklimmen.

In de vroegste tijden des menschdoms was het de vader of de oudste van den stam, die de zijnen bij het verrigten der gebeden en offeranden voorging. De aanwas der geslachten tot volkeren , maakte het noodzakelijk de pligten des levens en de werkzaamheden, en bedieningen der maatschappij algemeen onder allen te verdeelen , aan bijzondere personen op te leggen , en zekere klassen daartoe, te bestemmen. Zoo ontstond de priesterstand als afzonderlijke stand. Aan haar werd het opgedragen de kennis van God , den eeuwigen oorsprong aller dingen , te bewaren en onder de menschen voort te planten , en bovendien de herinnering aan de voorvaderlijke overleveringen zuiver te onderhouden ; zij moest de offeranden bereiden, voor het vergaderde volk de gebeden ten hemel zenden , alle zinnebeeldige gebruiken der eeredienst in acht nemen, en de heilige geheimenissen in waarde houden. Tot hooge beschouwingen opgevoerd, beoefenden de oude priesters de natuurkunde , en leerden zij de wetten kennen die het heelal besturen. De geneeskunst was hun niet vreemd , en de kennis der regten stelde hen in staat om de belangen der menigte, die zich aan hunne leiding overgaf, te behartigen. De priesterschap boezemde door kunde en wetenschap den hoogsten eerbied in ; zij heerschte door het overwigt van den geest, en werd benevens den krijgsstand, en zelfs nog boven dezen, als eerste stand geëerd. De vreedzame besturende en beschermende magt gold meer dan het geweld der wapenen. Doch de Godsdienst vermengde zich zoodanig met de staatkunde, dat de heiligheid harer instellingen verloren ging en het geestelijk gezag ontaardde in wereldsche heerschappij.

Dit is zoozeer een noodwendig gevolg van den gang der zaken , wanneer de priester deelneemt aan de staatsaangelegenheden , dat de geestelijkheid , ontslaan nu de vestiging der Christelijke Godsdienst, ook tot het bezit en het uitoefenen eener magt geraakte , die vreemd is aan het Koningrijk der Hemelen. Doch welke ook de verkeerdheden van de priesterschap mogen geweest zijn , en hoezeer zij zich ook aan volksonderdrukking, aan gruwelijk geweld en , in naam des geloofs, aan wreedheden schuldig moge gemaakt hebben, zij breidelde tevens het hoogste gezag, en stelde zich tusschen den Opperheer en den tot slaafsche dienst veroordeelden onderdaan. Maar wij zijn niet voornemens een geschiedkundig verslag van de Hiërarchie te schrijven en hier in te lasschen; wij moeten alleen onze gedachten ontwikkelen over de waarde van den geestelijken stand en de hoogte waarop die in onze tegenwoordige maatschappij staat. De wisselingen der tijden voeren de wisselingen der meeningen met zich. Het oud oorspronkelijk aanzien van den geestelijken stand is gezonken. Wel schenkt de Roomschkatholieke kerk en zelfs de Episcopale kerk in Engeland , aan hare hooge geestelijke beambten, waardigheden en eeretitels; doch dit zijn onderscheidingen, die den bisschop of Roomschen kardinaal alleen persoonlijk verheffen , maar den eenvoudigen priester en prediker in zijnen nederigen stand laten. De hooge roomsche geestelijkheid en de engelsche bisschoppen nemen eene plaats in onder den adel, de mindere geestelijke, zonder eeretitel, blijft tot den burgerstand behooren. In een land levende waar de protestantsche Godsdienst die van het meerdertal der ingezetenen is, kunnen wij deze algemeene opmerkingen bekorten en aan deze regelen eene meer bijzondere strekking geven , onze aandacht voornamelijk vestigende op den stand van den protestantschen dienaar des Goddelijken woords. Indien wij met de pen wilden vleijen, zouden wij den leeraarsstand, den centralen stand der maatschappij kunnen noemen , omdat bij in verband staat tot de hoogste standen en te gelijk ook tot de mindere klassen; echter zou dit meer spitsvondig dan juist gedacht zijn.

De geestelijke of godgeleerde, zoo men wil , meer bepaaldelijk gesproken, de protestantsche leeraar, de man van kennis, behoort door kunde , beschaving, goeden smaak , bekwaamheden en talenten , in de beste kringen te huis; terwijl zijn herderlijk ambt hem gedurig met behoeftigen en geringen in aanraking brengt. Voor allen genaakbaar , mag hij tot allen naderen. Die onbeschroomde toenadering tot alle rangen en standen , die uitgebreide en gemeenzame omgang met allerlei lieden en personen , welke door geene vooroordeelen en wereldsche berekeningen beperkt wordt, is juist het kenmerkend regt van zijnen stand. Hij kan zich noch verheffen, noch vernederen. Hij is overal op zijne plaats, als hij zijne waardigheid , zonder laatdunkenden hoogmoed , weet te handhaven. Allen behoort hij toe. Zijn raad , zijn troost dringt tot allen door. Hij heeft regt op aller vertrouwen. Rijkdom en gezag hebben hunne verzoekingen , zoowel als armoede en afhankelijkheid ; de grooten behoeven opwekking en stichting, de armen bemoedigende redenen en onderstand; maar geen van beiden kunnen het onderwijs en de leiding der godsdienst en der zedekunde ontberen. De leeraar brengt de slotsommen der wijsheid, der kennis en des onderzoeks onder hun bereik. Zijn werkkring is onbeperkt en afgescheiden van alle middelen die tot eenig aangematigd gezag voeren. Dit merke men naauwkeurig op. Geheel vrij van alle aangematigd gezag of geestelijke heerschappij, oefent de protestantsche leeraar, alleenlijk eenen algemeenen, verstandelijken, zedelijken en godsdienstigen invloed uit, door de gedurige voorstelling en ontwikkeling der waarheid, dat het menschelijk geslacht tot volmaking bestemd en geschikt is. Hij staat als voorganger te midden der huisgenooten des geloofs; zijne gemeente is als een uitgebreid gezin , door den God, wiens woord hij verklaart, aan zijne zorg toevertrouwd; en is hij nog in jeugdigen leeftijd, dan staat hij aan haar hoofd als een oudere broeder, wiens geest vroeg gerijpt is door het overdenken van de wetten der hoogste wijsheid. Als geleerde behoort hij tot dat wetenschappelijk Gemeenebest, waarvan de grondslag en het doel is, onderlinge gemeenschap van alle schatten der kennis.

De invloed der beschaving, meerdere burgerlijke vrijheden, en de toenemende volksverlichting hebben in de tegenwoordige staten en rijken eenen talrijken middelstand voortgebragt. In de schatting van het algemeen behoort de leeraar tot dezen middelstand ; en ofschoon er zeker geene gelijkheid of overeenkomst denkbaar is tusschen de winstberekeningen en handelsbedrijven van den koopman , en het navorschen en verkondigen der waarheden , welke Gods welbehagen , in de menschen ons in JEZUS CHRISTUS geopenbaard , voor ons onthullen, wordt de predikant met den handelaar gelijk gesteld. Zijne roeping brengt mede dat hij met de midden-klassen der maatschappij gemeenschappelijk verkeere. Maar gemeenschap is geene gelijkheid, en als geleerde gevoelt de leeraar altijd dat hij er boven staat. Dit een en ander maakt zijnen stand twijfelachtig, en wij zijn niet vreemd van het denkbeeld, dat het gevoel, niet naar waarde te worden geschat en zich als man van geleerdheid miskend te zien, dien opmerkelijken hoogmoed en die heerschzucht te voorschijn riep, die men , als eigenschap van hunnen stand, dikwijls aan de geestelijke heeren te laste legt. In zulke gevallen meet de leeraar de hoogte, waarop hij meent dat hij zou moeten staan, en hij gedraagt zich als had hij die werkelijk bereikt. Door geringe burgerlijke afkomst wordt zijn toestand dikwijls nog valscher en onaangenamer voor hem-zelven Dit maakt hem onhandelbaar uit beschroomdheid en gebrek aan opvoeding of uit terughoudende trotschheid en ergernis; dan lijdt hij aan eene dwaling , en denkt om die reden niet op den regten prijs gesteld te worden; hij is bekrompen van begrip en ziet de menschen die hem omringen voor kleingeestig aan. Hij oordeelt zooals men doorgaans doet, anderen naar zich-zelven.

Wij hebben er ons dikwijls over verwonderd, dat wanneer men in onze dagen klaagde over het verval van den geestelijken stand, het ons naderhand bleek, dat men hiermede doelde op de burgerlijke afkomst van het meerendeel dergenen die tot het leeraarsambt worden opgeleid. In dezen zin het verval van den geestelijken stand te bejammeren , is even ongerijmd als belagchelijk. Het is een valsch begrip, een uitvloeisel van het vooroordeel. Durft men waarlijk den eerzamen , zorgvuldige burgerhuisvader aanvallen, wiens vlijt en arbeidzaamheid hem in staat gesteld hebben, zijnen zoon eene goede opvoeding te geven en eenen goeden stand te verzekeren. Het is niet genoeg op hoogen toon, zegevierend voor te geven, dat wij thans in eenen tijd leven, in welken men , meer dan in eenigen anderen, de geestelijke grondstof in den mensch weet te waarderen, en in welken men aan het grootere talent, zonder smalen den voorrang toekent; - zooals in lofredenen vaak geschiedt. Passen wij dit ook toe op het werkelijke leven, en brengen wij aan een verlicht verstand , aan ware vroomheid bovenal, onze hulde. Het streele en verheffe ons gemoed , waar of in wien wij die vereenigd ontmoeten , hem onzen eerbied en onze onderscheiding te betoonen. Op de voorregten van kennis en beschaving heeft een ieder aanspraak, mits hij den aanleg en de vatbaarheden bezitte, waardoor hij er naar kan en mag streven. De man die zijne kinderen de middelen weet te verschaffen om die voorregten te verwerven, toont voorzeker , door het gebruik dat bij maakt van het vermogen, dat de waakzame en onvermoeide waarneming van zijn beroep hem verschaft heeft, dat hij er de waardij van kent en juist weet te schatten. Zeker is het hem geoorloofd zijn kroost te heiligen tot de dienst van dien God, wiens zegen hij gedurende een welbesteed leven ondervond.

Het eenig voorwerp dat ons ergerlijk voorkomt, en het ook werkelijk is : is een rijken mans zoon, die studeert, niettegenstaande dat hij een botterik is, en dat louter en alleen , omdat hij naar zekeren geleerden titel dingt, of om de zucht naar standsverheffing te voldoen en van burgerman een heer te worden. Zulk eene dwaze eerzucht mag in waarheid eene aanmatiging heeten. Onbekwaamheid is de rots der ergernis, de steen des aanstoots, welke het geld niet uit den weg ruimen kan. Eene betrekking is dan alleen in verval, wanneer zij door onwaardigen en dwazen wordt vervuld. Door alle tijden heen , strekten vele eenvoudige burgernamen der Vaderlandsche Kerk tot haren grootsten roem.

Ter plaatse waar de door ons reeds aangehaalde TEGNÉR de meer ernstige, doordringende en in den grond ware redenen opgeeft van het verval van den geestelijken stand en deszelfs verminderd aanzien, vinden wij ook eenige zijner wenken , betreffende de noodzakelijkheid voor de geestelijken en godgeleerden , om weder tot den ouden trap van veelomvattende geleerdheid op te klimmen; en daar de weinige fragmenten zijner werken , welke door vertalingen tot ons over zijn gekomen, niet zoo algemeen verspreid zijn , als zij om het helder en gezond oordeel dat er in doorstraalt wel verdienden, vertrouwen wij den lezer eene dienst te doen, door hier nogmaals een gedeelte zijner opmerkingen over den geestelijken stand over te nemen en woordelijk aan te halen : " Dat de overige wetenschappen de kennis en het aanzien van den godgeleerde in de schaduw stellen , zegt hij, kan ons in wereldsche betrekkingen tamelijk onverschillig zijn ; want ons rijk is eigenlijk niet van deze wereld , maar van eene hoogere; onze roeping behoort aan haar-zelve, en wij erkennen geen' rijksdag dan den eenige die in den Hemel wordt gehouden, - doch voor de Godsdienst zelve is het belangrijk.

De twijfel aan de grootere bekwaamheid van den leeraar, gaat schielijk over in eene betwijfeling van de waarheid der leer: Niets streelt de gevoelige eigenliefde zóó zeer, als de gedachte, dat men wijzer is dan zijn leermeester. Wij zien dagelijks de gevolgen daar van, maar in de plaats van de handen in den schoot te leggen en te declameren tegen de goddeloosheid (iets dat voor zeker het gemakkelijkste is), moet men trachten de voorgaande verhouding te herstelden. Wij moesten zoeken om ons , wat onzen tijd betreft, op het standpunt te plaatsen, alwaar onze voorouders in hunnen tijd stonden; staan wij eens daar, dan vereenigt zich weder het aanzien van den geleerde, met dat van den leeraar; de hoon verstomt, de gelijkheid wordt herwonnen en de zon beschijnt een beter geslacht. Maar tot bereiking van dat doel, wordt ook eene andere bemoeijing , eene andere wijze van opvoeding geëischt, dan in vroegere dagen. De menschelijke wetenschap heeft in omvang misschien zooveel gewonnen, als zij verloor in diepte. Hoe verschillend zijn niet de eischen die men thans doet aan een' geleerd en beschaafd man , vergeleken met die, welke men een tweetal eeuwen geleden (en in vroegeren tijd) deed!- De Theologie, die te voren in het middenpunt stond, is naar den omtrek des cirkels weggedrongen, en wordt overheerd door de Philosopbie. De Philosophie zelve, eene Anarchie tot systeem gevormd, dwaalt hier en daar gelijk een reddeloos schip, zonder roer of ankergrond , gelijk een drijvend eiland, overdekt met de bouwvallen van 's menschen onderzoekingen. De Letterkunde heeft haren klassieken grond verlaten, en is gelijk eene kolonie in de levendige talen overgebragt, zoodat ieder die zijne moedertaal eenigzins verstaat, onbeschroomd over de hoogste belangen waagt te oordeelen. De Natuurkuude doet haren praktischen invloed gelden, en maakt, naar ieders schatting de kern der geleerdheid uit. Maar de Staatkunde en staathuishoudkunde zijn de leuzen van den dag , daarover spreekt ieder, oud en jong, en er is bijna niemand, die niet gelooft, dat hij Land en Staat zou kunnen besturen. Eigenlijk zijn de wetenschappen ook thans nog wel wat zij te voren waren , het eigendom van weinigen , en wel van de geleerden; maar derzelver populaire slotsommen zijn tot allen doorgedrongen en maken datgene uit wat men een' beschaafd man noemt; zij zijn niet meer het uitsluitend eigendom en voorregt gebleven van den geestelijken." - Tot dusverre de schrandere denker TEGNÉR.

Wij mogen hierbij het hoofd opbeuren en verklaren, dat hoewel het eene waarheid is, dat vele predikanten den kring hunner kennis beperkt afbakenen, dat zij vele bijkomende vakken van wetenschap verwaarloozen of ter zijde laten liggen, en zich vergenoegen met het overdenken, bewerken en kennen van dien tak van geleerdheid , dien zij beroepshalve moeten beoefenen; echter bij ons de aantijging van gebrek aan uitgebreide veelzijdige kennis in de hedendaagsche godgeleerden , door de meest voldoende voorbeelden van uitmuntende en veelomvattende studie wederlegd wordt. Den godgeleerde die zijn beroep niet als een handwerk behandelt, en, toegerust met een aantal kundigheden , zijnen lijd niet in traagheid doorbrengt, maar de uren die hem van zijne ambtsbezigheden overschieten, besteedt om zijne kennis nog te verrijken en daardoor zijnen gezigtskring uit te breiden en te verhelderen en zijnen smaak te zuiveren, valt de meest onderscheidende achting ten deel.

De Koopman zal ongeduldig worden bij het doorloopen dezer bladen , en ontevreden zijn. Het gaat niet zeer gemakkelijk de vermogende ingezetenen onzer voornaamste handelssteden te overtuigen en te doen aannemen , dat in de volgorde der standen , de handelstand tot den derden of vierden rang behoort. Dat smaakt den handelaar niet. " Wat , " vraagt hij , niet zonder verontwaardiging: "Wat , bestaat het land niet door ons? Zijn wij niet bovenal een handeldrijvend volk? Komt uit dien hoofde aan onze eerste handelshuizen niet het hoogste aanzien toe? Hoe! zou men laag op ons nederzien , en ons kleingeestige baatzucht en winstbejag verwijten? Gaven wij geene blijken dat wij grootmoedig kunnen zijn? Hebben onze opofferingen niet de vrijheid van het Vaderland gegrondvest? Spaarden wij ooit ons fortuin als 's lands belangen in de schaal werden gelegd? Wat wil de krijgsman uitvoeren zonder geld; hoe zal hij in de kosten van den oorlog voorzien en in het onderhoud van het leger? Wij betalen den soldaat. Kwijnt de kennis der wetenschap niet, wanneer het haar ontbreekt aan de middelen om de studiën aan te kweeken? De geleerde, met al zijn verstand, behoeft geld! De adel zelf tracht door rijke verbindtenissen de breuken te heelen die zijne bezittingen ondergaan hebben, en wordt door verachterde omstandigheden gedrongen het vermogen van het geld te erkennen. Geld is de mogendheid van den dag. Mijne onafhankelijkheid ben ik aan eigen vlijt en inspanning verschuldigd Ik buig noch wijk voor geen titel of rang." - Niemand vergt dit ook. Men verlangt van hem geene laagheid of zwakheid. Maar de man die zijne eigenwaarde zoozeer gevoelt, vergunne ook aan anderen hunne regten, en onderwerpe zijn begrip aan de eens gevestigde openbare meening, omtrent de rangschikking der standen van de hedendaagsche maatschappij.

Eere zij den Nederlandschen koopmansstand. Nijverheid is de onderscheidende eigenschap onzer natie ; zij is de bron geweest onzer rijkdommen, onzer grootheid en onzer magt. De handelsgeest heeft ons de deugden van eerlijkheid , goede trouw en eendragt ingeplant. De zee, dat "wandelperk der vlijt " (1), eenmaal overdekt met onze schepen , werd ons, even als voor de oude Pheniciërs , een vruchtbare akker, en de handel bragt met zijne gulden keten de verste volkeren en de verwijderdste werelddeelen tot een. De handel is de levensader van ons volksbestaan. Wij eeren den stand, die zich aan den handel wijdt , maar betoonen hem juist de meest gepaste onderscheiding, door hem de plaats die hem toekomt aan te wijzen.

Deze redenering kan echter den aanzienlijken handelstand in ons land niet bevredigen. Naast de aristocratie der geboorte, verheft zich bij ons eene geld-aristocratie, die haar aanzien heeft weten te vestigen door verbindtenissen te sluiten met de Patricische geslachten. Somtijds ook heeft zij niet eens noodig gehad haar aanzien in de maatschappij door verwantschap te vermeerderen , en hare eigene welbekende namen bewijzen onbetwistbaar, dat de oudste Nederlandsche familiën tot haar behooren. Volgens een oud-hollandsch gebruik, bezocht altijd de zoon van goeden huize, gedurende eenige jaren, de hoogeschool en voleindigde hij zijne studiën doorgaans bij voorkeur in de regten, voordat hij zich aan het hoofd van het handelskantoor zijn vaders stelde , of eenige betrekking of ambt aanvaardde. Hoewel men nu heden ten dage niet altijd ten onregte de klagt slaakt, dat de denkbeelden der aanzienlijken over de beschaving , over het nut en de strekking van de kennis en de wetenschappen, meer en meer onvolledig, bevooroordeeld en bekrompen worden, en men opmerken moet, dat het verzuim van den eenen stand , medewerkt tot de verheffing der andere klasse, zijn er toch nog onder de aanzienlijken , verscheidene, die het oud gebruik niet verwaarlozen , en op hunne beurt den naam dien zij dragen, eer aandoen. Niet zelden vereenigt het hoofd van een eerst handelshuis in zich de aristocratie der geboorte, die der bekwaamheden , en van het geld. Evenwel heeft hij zijn aanzien niet verworven door zijne schatten; - de handel, waardoor hij zijn vermogen zag toenemen, schonk het hem niet ; maar hij is het verschuldigd aan den ouden gevestigden naam van zijn geslacht, en hij zal de eerste zijn om te erkennen , dat de staf van MERCURIUS zwicht voor den degen des krijgsmans en voor het zwaard van THEMIS.

Hiermede rekenen wij onze taak volbragt. De uitgebreide middelstand , welks oorsprong en aanwas wij reeds hebben aangeduid, de talrijke menigte die boven de volksmenigte bestaat, en de ruimte tusschen deze en de hoogere standen aanvult , is wederom verdeeld in vele graden, klassen en bijzondere kringen. Deze fijne schakeringen en overgangen, benevens den wedijver, den strijd, en de wrijving, die de zich meer en meer vermengende middenklasse der maatschappij in beweging zetten , te ontleden , zou , vreezen wij , ons weinig voldoening opleveren en ons in haarklooverijen verwikkelen. Wij ziften niet, wij hebben slechts willen onderscheiden.

                      Z.

(1) Van Meeren